Haiku's:
1 t/m 30
31 t/m 60
61 t/m 90
91 t/m 120
121 t/m 150
151 t/m 180
181 t/m 210
211 t/m 240
241 t/m 270
271 t/m 300
301 t/m 330
331 t/m 360
361 t/m 390
391 t/m 420
421 t/m 450
451 t/m 480
481 t/m 510
511 t/m 540
541 t/m 570
571 t/m 600
601 t/m 630
631 t/m 631

Tegen zonsopgang

Tegen zonsopgang
kruist een jonge ree mijn pad,
foetsie, verdwenen

Vroeg in de morgen breng ik Mieke naar haar werk aan de andere kant van de stad. Ik rijd door naar de bosrand, parkeer de auto en doof de lichten. Ik stap in de schemering van het met zware kruinen overhuifde bospad. De regen van vannacht druipt van de bladeren in de plassen op de grond. Ik kijk goed uit waar ik mijn voetstappen zet. En dan ineens springt een hert uit het donkere dennenbos het pad over en verdwijnt in het struikgewas aan de andere zijde. Die sprong doorklieft de luie overgang van nacht naar dag.

Door: Guus

Voorbij vochtig blad

Voorbij vochtig blad
van struiken langs de paden
wacht de maïs de oogst

Mijn pad slingert langs grensgebieden van bomenrijk en veldvegetatie, de halfslachtige strook tussen het donkere bos en het open veld. Door gaten van beregende struiken vang ik het licht van de onbeschutte velden en akkers met de alweer okerkleurige maïs, licht gebogen onder de zware kolven. Nog even en het is weer winter.

Door: Guus

Zoekend naar bloemen

Zoekend naar bloemen
in tuinen om haar heen geurt
zij zelf als een roos


‘Wie ben ik als ik me met mijn vrienden en vriendinnen vergelijk?,’ zegt ze met vertwijfeling in haar stem. Ze is mooi. Haar kleding met verfijnde smaak gekozen. Haar kleine huis een paleis. De zorg voor haar kind onvoorwaardelijk. In haar werk met demente bejaarden persoonlijk betrokken. Voor haar collega’s een vertrouwelijke vriendin. Als zij binnenkomt doorstraalt haar glimlach het gezelschap. Kon zij zich maar in mijn ingehouden tranen spiegelen.

Door: Guus

Die ene bloem daar

Die ene bloem daar
ze staat soms wat verloren
toch schittert haar pracht.

Moeder en dochter drinken wijn op een nazomerse dag aan de met linnen gedekte tuintafel. Voorzichtig uitgesproken woorden van troost en twijfel tintelen in de kristallen glazen. De bloemperken zijn niet mooier, zegt de moeder, dan de bloem, die solitair en krachtig aan de rand van het kiezelbed het zonlicht vangt.


Door: Mieke

Liguster in groen

Liguster in groen
en een haagbeuk met herfstblad
als echtpaar bijeen


Tegen het einde van de dag in het vroege najaar loop ik gedachteloos langs velden en akkers. Wat gisteren gebeurd zou kunnen zijn, ben ik vergeten. De dag van morgen zal me een zorg zijn. Een dichte haag van geschoren struiken maakt me nieuwsgierig naar het leven erachter. De genoeglijkheid die ik in de boerenwoning op de beloken hof vermoed, weerspiegelt zich al in de haag: een innige ineenstrengeling van met frisgroen begroeide ligustertwijgen en knokkelige takken van de haagbeuk die haar verdichten, maken haar doorzichtig als glas.

Door: Guus

Jouw strelende hand

Jouw strelende hand
beroert me nauwelijks of
mijn gemoed schiet vol

Op die avond kwam ik van mijn kamer, dronk koffie met haar en nam van het gebak dat zij die ochtend uit de stad had meegenomen, speciaal voor dit moment. Haar hand op mijn knie brak mijn starheid in een ontspanning die elke vezel trof. Toen pas zag ik hoe werksores mij hadden ingekapseld en hoe ongenaakbaar ik was voor haar tot wie ik zeg dat ik haar liefheb.


Door: Guus

Alleen gekomen

Alleen gekomen
zingt haar stem door de kamer,
verbonden met ons.


In een stad vol herinnering aan verleden eeuwen bezoeken we familie. Onder de kroonluchter prijken kristallen glazen, porseleinen schalen en zilver bestek op een met linnen bedekte tafel. Wijnboeket vermengt zich met geur van brandende kaarsen. Koppels komen binnen. We praten en lachen. Dan komt zij binnen, van ver, alleen. Haar solostem zoekt een weg en treft het timbre van de bruisende kakofonie.

Door: Guus

Mijn mondholte is

Mijn mondholte is
als een kolkende vulkaan
steeds weer vuur spuwend.


’s Nachts rijden we in een toeristenbus over de autosnelweg langs de kust op Sicilië. De Etna braakt haar rood-kokende magma over de groeven van haar oude lijf dat, als een versteende godin, al was voor wij bestonden. Ben ik anders wanneer de hitte van woede door onverwerkte emoties als in de voren van mijn verroeste gemoedsleven omlaag sijpelt?

Door: Guus

Twee wilde hazen

Twee wilde hazen
onttrekken zich aan het oog
door een dikke mist.


Voorbij het doorgaande pad langs de zomertuinen opent zich het grasveld naast het kerkhof. Het is vroeg in de morgen, er hangt een zware nevel over het veld. De grafstenen blijven verborgen achter een rij dik ingeplante, nauwelijks zichtbare cipressen. De dreun van mijn voetstappen schrikt twee hazen op, die in de richting van de versluierde openingen tussen de bomen wegschieten. Zij en ik beginnen de dag, ieder op onze eigen manier, met de zorg voor levensonderhoud.

Door: Guus

In hartje winter

In hartje winter
verwarmt een Zuid-Spaanse zon
verlaten stranden.


Ver weg van huis waar het nu regent, koud is en misschien wel vriest, ben ik op bezoek bij Elise die de dans is ontsprongen en warmte zoekt die zij in Holland mist. Overdag is het behaaglijk, pas tegen de avond trekt een flinterdunne kou ook over Zuid-Europa. Net voor de hoogste stand van de zon aan de hemel wandelen we langs de gerenoveerde en met palmbomen aangelegde weg naar zee. Op de boulevard langs helder witte stranden schitteren de marmeren plavuizen in het licht.
Een enkele Spanjaard flaneert op zijn gemak, strak voor zich uitkijkend, zon opslorpend, zonder te groeten. Golven rollen over zand en kiezels, af en aan. In de winter is het strand zichzelf. Een maagdelijk, verlaten strand, een mythisch, warm lichaam. Het ziet er uit alsof er geen mensen bestaan.


Door: Guus

Als mijn oor maar net

Als mijn oor maar net
het vogelgekwetter vangt,
wat kan een haiku?

Lopend onder loofbomen mis ik het geruis van bladeren. Alleen het gekraak van mijn leren jas en de stap van mijn schoenen op het pad verbreken de stilte. Dan blijf ik staan en spits mijn oren. Van verre vogels dring het ijle gefluit tot me door dat zich alle toonaarden onderscheidt en tot een concert aanzwelt. Als ik doorloop wist ik mij voor onbepaalde tijd bevangen, een onherhaalbare ervaring, nauwelijks met woorden te pakken.

Door: Guus

Kippen graven zich

Kippen graven zich
een kuil in het mulle zand,
sluiten hun ogen

De kippen heugen zich de hete zomerse dagen waarop zij in de schaduw de bovenste lagen van het rulle zand driftig met hun poten wegkrabden op zoek naar verkoeling in de donkere aarde. Nu, maanden later koesteren ze zich in het warme, droge zand onder een beukenhaag en doen een genoeglijk slaapje in een waterige ochtendzon.

Door: Guus

Als licht van de zon

Als licht van de zon
doorstraalt haar aanwezigheid
mijn duistere geest.


Studenten zijn onnozel: ze denken dat een docent bij hen, die een beroep op hem doen, het licht ontsteekt. Zo veronderstelde Saskia dat ik haar bij haar eindscriptie zou kunnen helpen, maar door bij mij aan te kloppen maakte ze de beroete glazen van mijn lantaarn schoon en ontstak ze het licht in mij dat ik gebruikte om haar te een dienst te bewijzen.

Door: Guus

Haar stemming weerkaatst

Haar stemming weerkaatst
in de stroom van de Leie:
‘zeldzame weelde.’

Vanuit het door de stadsbebloemer versierde Gent bereiken we de oevers van de Leie nabij Sint Martens-Lathem. Nog vol van de indrukken die de schilderijen van Gustave van de Woestijne, Valerius de Sadeleer en al die andere schilders in het begin van de vorige eeuw, in het gemoed achterlieten, bevangt haar het kalme water onder snel jagende wolken in de lucht. De gedachtenis aan deze morgen blijft ons nabij.

Door: Guus

Haar huid o zo zacht

Haar huid o zo zacht,
een geur van appelbloesem
omkleedt mijn liefste

De minnaar komt er niet uit. Zijn lief omgeeft zich met geheimen zoals schoonheid geheimvol blijft en je als toeschouwer niet toelaat haar grenzenloosheid te betasten. En mocht zijn lief zich aan hem prijsgeven dan hult ze zich in versluierende rozen- en bloesemgeuren.

Door: Guus

Droef legt ze een roos

Droef legt ze een roos
op haar grootvaders lijkbaar
en huilt van geluk

Op een warme dag in hartje zomer zoeken nabestaanden koelte in de sobere kerk waarin haar opa door zes onbekenden heren in zwart pak wordt binnengedragen. De organist legt zijn handen op de knieën. Oma zit op de eerste rij in het midden, omgeven door kinderen en kleinkinderen, die binnen een ritueel witte rozen op de doodskist leggen. Een van hen huilt voor haarzelf onbekende tranen, bewogen door de prille moeder in haar.

Door: Guus

Golvingen van gras

Golvingen van gras
over glooiende heuvels
’s morgens vroeg in mei.


We wandelen in de omgeving van Slenaken. Op brede landwegen lopen we naast elkaar. Dan praten we, zien minder van de ons omringende schoonheid. Versmalt het pad dan kiezen voor de ganzenpas en opent zich het panorama van heuvels met door meidoorn afgebakende weiden. Een zachte voorjaarswind speelt over de jonge grashalmen in rimpelingen als op het water van de ruisende beek.

Door: Guus

Zo vervuld van haast

Zo vervuld van haast
wetend van een kort seizoen
popelt de natuur.


In het vroege voorjaar schrapen Mieke en ik de herfstbladeren met verkleumde handen uit de perken in de achtertuin. Het zeegroene blad van de hemelsleutel perst zich uit de zwarte aarde omhoog. Het kan niet langer wachten. De knoppen van de paarse regen over de pergola trillen tegen de hemelblauwe lucht. Nu al is haar melancholie om het weer spoedig vergaan van beginnend leven voelbaar.

Door: Mieke

Sneeuw in het gezicht,

Sneeuw in het gezicht,
stappend onder bladloze
bloesemtakken door.


Ik loop door de priemende kou van sneeuwvlagen naar het station. Ik verberg mijn gezicht zo diep mogelijk in mijn das, maar wil niet krom lopen. Ik zie hoe de sneeuw op mijn leren jas smelt. Straal ik toch meer warmte uit, spreek ik mezelf bemoedigend toe. Af en toe kijk ik schuin omhoog naar de kruinen van de robinia’s. Eindelijk hebben zij in hartje winter hun laatste, taaie blad verloren: diffuus kale takken tegen een grijze lucht. En dan ineens loop ik onder laaghangende takken met rose bloesems door. Hoe is het mogelijk? Tijd is een illusie, de seizoenen schuiven over elkaar. Ik weet niet of de bloesem me in de tijd voor- of achteruit heeft gebracht. De gedachte verlaat me pas als ik me opwindt over het te trage slinken van de rij voor de kaartjesautomaat.

Door: Guus

Teunisbloemen geel

Teunisbloemen geel
in de avondschemering
lichtjes in de nacht.


Karien kookt voor Mieke, Els en mij een Griekse maaltijd, die zij ons tegen de avond in haar besloten achtertuin voorzet. De zon kruipt al omlaag. Ik droom weg, licht door de wijn beneveld, en zie hoe mijn moeder jaren geleden hier een mahoniastruik voor haar schoondochter liet plaatsen. Gele bloemtrosjes lichten in mijn herinnering op, hoewel de struik is verdwenen. Na de verrukkelijke maaltijd blijven we buiten, totdat het voor de vrouwen te rillerig wordt. Ze gaan naar binnen terwijl ik achterblijf. Een teunisbloem opent traag haar gele bloemen. Hoe donkerder de omgeving hoe feller de schijn van lichtjes in de invallende nacht.

Door: Guus

Mijn woorden pakken

Mijn woorden pakken
vergeefs de herfstgeuren en
optrekkende mist

Vroeg in de morgen sluit ik de huisdeur achter mij en verlaat de stad langs het spoor naar de bossen ten oosten van Breda. De autogeluiden van de A 16 lossen op. Over het pad loopt de mist lichtvoetig voor me uit. Ik inhaleer diep de geuren van vochtige mossen en schors. Net als ik de ervaring wil pakken, trekken woorden een vliesgordijn voor mijn zintuigen op.

Door: Guus

Mijn kleine Anna

Mijn kleine Anna
op zoete voetjes gaat zij
onwetend van tijd.

Aanvankelijk speelt tijd geen rol in het leven. In de langdurige fase dat we ‘geen tijd’ hebben is de tijdsfactor cruciaal. Met het ouder worden lost de tijd voelbaar op en op de grens van leven en dood versmelten tijd en eeuwigheid.

Door: Mieke

Haar blauwe ogen

Haar blauwe ogen
bewegen van vriend naar vis,
een zee van geluk.

We hebben een reden gevonden om gezamenlijk naar het goede restaurant te gaan. We praten, drinken en eten, afgewisseld met stilten zoals op hoogtepunten van verrukking. Terwijl ik mijn mond met het servet schoonveeg om van de wijn te drinken, zie ik hoe Nienke van het bij elkaar zijn is bevangen en opgaat in het zinnelijk genoegen van de maaltijd. Haar bewegende blikken rijgen als met gouddraden de geluksmomenten bijeen.

Door: Guus

‘Nog een fijne dag,’

‘Nog een fijne dag,’
ze neemt de tafel af en
vergeet de gasten.

Vanuit de drukke stad langs een met bomen omzoomde laan, onder het viaduct door, over de stille Flodderdreef, landwegen en bospaden opent zich de oase van de Fazanterie. Op het terras rusten en keuvelen echtparen, wandelaars en fietsers.
Ik schuw een tafel in de volle zon en schuif een stoel in de schaduw. Achter mij veinzen heren tijdens hun vakantie een worsteling met de opzet van het leerplan voor het volgend schooljaar. Tussen tafels en gezelschappen door loopt de serveerster met volle dienbladen af en aan en uit bij het afrekenen eenzelfde groet voor de gasten. Voor haar niet meer dan passanten die zij, voor hen blijvend in geheimen gehuld, alleen van de koffie en de frisdranken kent.


Door: Guus

Knisperend grind brengt

Knisperend grind brengt
mij tot zoete razernij,
oh, die rozengeur

De tuindeuren staan open. Op het terras achter het huis dwarrelen verdroogde bloemblaadjes op het altijd schone tafellinnen. Na tien uur ’s avonds is de herrie aan de straatkant afgenomen. In de tuin zelfs geen zoemende insecten meer. Ook vogels houden zich in en wachten op de invallende duisternis. Des te indringender zijn haar voetstappen over het grind, met dat speciale geluid dat de stilte hoorbaar maakt, maar haar niet kwetst. Mieke snoeit een rozenstruik die bij de lichtste aanraking zijn geur doet opwolken.

Door: Guus

Jouw kaart op het net

Jouw kaart op het net
belandt, mijn liefste, op de
bodem van mijn hart.


De rollen zijn omgekeerd. Werkte ik jaren geleden vijf dagen per week op school en was mijn liefste thuis bij de jonge kinderen, nu gaat zij voor enkele dagen naar het kantoor en blijf ik achter. Op mijn werkkamer open ik de Outlook en pats, daar verschijnt een kleurige bloemenkaart op het scherm. Het is niet anders dan haar eerste ansicht door de brievenbus van mijn ouderlijke woning op uren reizen afstand van de afzender.


Door: Guus

Het haar wapperend

Het haar wapperend
in de wind snelt ze voorbij
in haar rode jak


Voorbij de rumoerige straten van het stadscentrum kalmeert mijn druk bezette geest in de buitenwijken van villa’s en bungalows, omgeven door grasperken met bomen en struiken. Op de smalle stoep passeert me een joggende vrouw. De zwartglanzende haardos slingert heen en weer op het ritme van de snelle draf. Haar jak zeilt als een rode ballon in een zwart-wit-film naar de horizon van mijn gedachten.

Door: Guus

Paarse seringen

Paarse seringen
geven de oude villa
een jeugdig aanzien.


Ik loop door de stad en passeer een oude villa. Honderd jaar oud, twee honderd jaar? Tegen de grijze muren vlijt zich een paarse sering in volle bloei. Elk jaar weer in de lente de vertedering van het jonge leven tegen de wand van de almaar ouder wordende villa. Zoals kleine Anna op mijn knieën klimt en met haar hand mijn roestige haren glad strijkt. De ineenstrengeling van jong en oud ontsluit het leven van dit moment en houdt herinneringen levendig.

Door: Guus

Starend naar grenzen

Starend naar grenzen
van het uitdijend heelal,
gevat in leegte.


Als ik terugkom van het winkelcentrum, loop ik langs het raam en zie hem zitten, met zijn rug naar me toe, starend in de donkere holte van de woonkamer. Een man, ontredderd in zijn huis waar het voorheen kwinkeleerde als in een vogelnest. Klak, daar valt de haiku als een prent uit een fotocamera. Hij kijkt voor zich uit zonder te zien. Zijn netvlies vangt de uiterste grenzen van zijn bestaan, maar zijn ogen bewegen niet. Het hart klopt in een roes. Dan weer vervalt hij in moedeloosheid als hij ziet dat de grenzen terugwijken als hij ze wil benoemen. Zijn nog smeulende hoop en verwachting verflauwen bij het vermoeden van de leegte daarachter. Hoogstens ruimt hij donsen en veren in een verlaten vogelkast.

Door: Guus

De oude den hangt

De oude den hangt
scheef, de wortels weggekapt.
Dora weent zachtjes.


Maurice bewerkt zijn tuin. Hij heeft de grindtegels omgedraaid. Bij de oude den in de hoek van de ommuring heeft hij ook de tegels die de wortels grotendeels bedekten, weggehaald. Degene die verandert heeft minder moeite met de verandering dan degene die hem helpt: Dora. Een verandering in de tuin is afscheid van wat was en afwachten hoe de vernieuwing zal zijn. O jee, als die den het nu ook maar niet begeeft, denkt ze. Als kleine boom jaren geleden geplant gaat met het oude tuinontwerp ook de den misschien verloren. De tranen in haar hart halen de oogkassen niet. Maar heel even kwam de ontzetting bij haar boven en trok zich terug om dan aan de slag te gaan en haar man te helpen de den te stutten.

Door: Guus